|

Invloed en de rol van de
OR
Binnen het concern van
Van der Giessen de Noord
heeft de overleg status
een lange traditie. In
brede lagen van het
personeel was men
vertegenwoordigd door
een gekozen
Ondernemingsraad. Zowel
op het persoonlijke vlak
als op situaties die men
ondervond op zijn of
haar werk kon elk
personeelslid,
individueel of
collectief, terecht bij
de O.R. Deze Raad deed
dan al het mogelijke
voor het betreffende
personeelslid of voor de
groep personeelsleden om
kwesties bespreekbaar te
maken bij de directie.
Na gedegen vooronderzoek
gebeurde dit soms op het
niveau van
overlegvergaderingen;
maar meestal werden
dergelijke problemen
‘aan de wortel opgelost‘
door te gaan praten met
de belanghebbende
leidinggevende. Vooral
het wederzijdse respect
voor elkaars functioneren
leidde in veel gevallen
tot een bevredigende
oplossing voor beide
partijen.
Het bovenstaande wil
overigens niet zeggen
dat alles van een leien
dakje liep; te vaak
liepen OR -leden op
tegen de zogeheten
‘ivoren torentjes‘
mentaliteit bij vele
leidinggevenden, of ook
wel een houding van
‘waar bemoeien ze zich
mee, laat ze maar werken
in plaats van meedenken
over de organisatie’.
Deze houding kwam, naar
mijn stellige
overtuiging, voort uit
een vorm van
zelfprotectie
"waarom zou je, je
moeten verantwoorden
naar een werknemer, ook
al was die lid van de
OR? Verantwoording
afleggen voor gedane
zaken deed men toch
zeker naar boven toe?
Juist daar begon het te
wringen in de
organisatie. Bij tijden;
en dan spreek ik vóór
‘96/’97, bestond er,
zoals eerder aangegeven,
een zeker wederzijds
respect voor
elkaar. Directie en
Ondernemingsraad vulden
elkaar aan. Die
wisselwerking werkte ook
‘topdown’, zodat er van
een redelijk goede sfeer
en dienovereenkomstig
arbeidsklimaat sprake
was. Wat overigens niet
wegneemt dat er momenten
geweest zijn, waarin de
hakken in het zand gezet
moesten worden, alvorens
men kon spreken over een
goed resultaat.
Tijden
zouden echter veranderen. Als ik nu terugkijk op
de voorbije periode, kan
ik niet anders dan
constateren dat de grote
ommezwaai is begonnen
met de benoeming van de
heer J.van Rijn RA tot
voorzitter van de Raad
van Commissarissen door
deze Raad tijdens de
Algemene Vergadering van
Aandeelhouders in 1995.
Niet alle
Ondernemingsraadsleden
waren blij of gelukkig
met deze benoeming
Vooral de rol en/of
functie welke de heer
van Rijn vervuld had ten
tijde van het
Rijn-Schelde-Verolme
bestaan; in het
bijzonder zijn taak als
beheerder van de
financieel-economische
portefeuille zette
vraagtekens bij de
benoeming. Ik citeer uit
het verslag van de RSV-
enquête, deel 2,
pagina.430, onder het
kopje;
'Terugblik
en beoordeling’,…….’Maar
in 1982 leverde de Raad
van Bestuur het
overtuigende bewijs dat
op zijn verklaringen
geen staat was te maken,
dat het inzicht in de
werkelijke toestand
ontbrak en het contact
met de realiteit was
verloren gegaan of
erger: dat men maar wat
zei en zich daardoor
liet leiden door de
behoefte van het moment.
‘Onder hetzelfde kopje
lezen we (en ik citeer):’De
Raad van Commissarissen
en de Raad van Bestuur
hadden dit (…..) moeten
weten, ook zonder
McKinsey . Indien zij
het wisten, betekende
hun gedrag in 1982 een
misleiding van de
overheid. Indien zij het
niet wisten, bekend dat
hun kwaliteiten als
bestuurders van een
groot concern.
Tot zover enkele
uitspraken, gedaan door
de RSV- enquête
commissie, ten tijde van
het onderzoek naar het
falende beleid van het
RSV- concern.
In verband met het
terugtreden van de heer
Ir. J.J. Marsal als
voorzitter van de R.v.B.
van de onderneming,
volgt dan op 14 augustus
1996 een persbericht met
de mededeling dat de
R.v.C. voornemens is de
heer J. van Rijn RA te
benoemen tot tijdelijk
opvolger van de heer Ir.
J.J. Marsal totdat een
definitieve oplossing
gevonden is. Per 15
augustus meldt de OR,
bij monde van de
secretaris het verzoek
tot opvolging. Er wordt
door de secretaris
gewezen op de wettelijke
bevoegdheden van de OR
in deze. Er zijn nogal
wat vormfouten begaan
waardoor het voornemen
van de R.v.C. niet in
behandeling kan worden
genomen .(Sluipt hier al
de minachting en de
arrogantie voor het OR-
werk binnen?)
Op 21 augustus 1996
vindt er een
Overlegvergadering
plaats tussen directie
en Ondernemingsraad. Op
de agenda staan twee
punten:
A / Onderzoek naar
mogelijke samenwerking
met Wilton Fyenoord
Holding.
B / Adviesaanvraag
m.b.t. (tijdelijke )
benoeming bestuurder.
Tijdens deze vergadering
laat ik duidelijk weten
niet gecharmeerd te zijn
van de visie van de heer
van Rijn ten aanzien van
de voorgenomen
samenwerking tussen G.N.
en WFH; er lijkt hier
sprake te zijn van een
parallel met het RSV
gebeuren. Al met al zijn
de heer van Rijn en
ondergetekende vanaf dat
moment geen vrienden
meer, dat zal duidelijk
zijn. In haar advies
m.b.t. de benoeming van
een bestuurder (J. van
Rijn.) adviseerde de OR
overigens negatief, met
als redenen dat de te
benoemen bestuurder niet
voldoet aan het gegeven
dat hij fulltime voor de
onderneming beschikbaar
is, en dat hij geen
uitgesproken ondernemer
in de scheepsbouw is.
Dit advies wordt op 23
augustus 1996 verstuurd
naar commissaris de
Bruin.
Overigens heeft de
eerder genoemde
voorgenomen samenwerking
met WFH al een vroegere
ontstaansdatum dan
gesuggereerd wordt door
de Raad van
Commissarissen en de
heer van Rijn. Uit
persoonlijke informatie
weet ik dat al op 8 juli
’69 kennis genomen is
van het zgn.
‘WFH’-rapport. De
Agendacommissie van de
OR gaat zich op dat
moment dan ook flink
bezighouden met het
rapport, hoewel het
officieus niet bestaat.
Toch is er al op 20 mei
’96 (!) inhoudelijk over
gesproken tijdens een
R.v.C.-vergadering. De
Agenda-cie. aangevuld
met enkele
vertrouwenspersonen, gaan
over tot het inzamelen
van informatie omtrent
WFH .
Om een lang verhaal kort
te houden: op 8 oktober
1996 verschijnt er een
persbericht waarin
onomstotelijk vaststaat
dat gesprekken over een
eventuele samenwerking
niet verder zullen
worden voortgezet. Over
enkele condities ter
zake kon geen
overeenstemming worden
bereikt. Feitelijk was
de weerzin onder het
personeel van GN te
groot. De laatste weken
kwamen er regelmatig
signalen dat hun afkeer
groeiende was. Bij een
bezoek aan een WHF werf
joegen GN- stafleden hun
collega’s met
denigrerende opmerkingen
op de kast. Niet lang
daarna verving de
Industriebond FNV onder
druk van haar kaderleden
de vakbondsbestuurder
bij GN. (Rotterdamse
Courant 8 oktober 1996 )
Inmiddels was de heer J.
van Rijn naarstig op
zoek naar een opvolger
voor de heer J.J.
Marsal.
In eerste instantie werd
dat de heer van Weelden,
deze melde zich echter
plotseling op grond van
persoonlijke redenen af
als kandidaat voor het
directieschap. (14 / 02 /
’97 )
Het was wel duidelijk
dat de opvolger moest
komen uit het ‘old boys
network' van de heer van
Rijn. Op 27 maart ’97
wordt aan de OR advies
gevraagd m.b.t. de
benoeming van de heer
ING D.J. Brink als
bestuurder van de
onderneming .
Op 9 april wordt de OR
medegedeeld dat de
R.v.C. voornemens is de
heren ir. N. de Ronde
Bresser en
J. van Rijn
RA te benoemen tot
commissaris van de
vennootschap en de heer
J.de Bruin te
herbenoemen. Ten aanzien
van de herbenoeming
leefde er onder enkele
leden in de OR enig
ongenoegen. Immers, sinds 3 oktober 1996
lag er een aanbeveling
van de OR aan de RvC tot
een voordracht voor een
commissaris; in de
persoon van dhr. J.
Abspoel, oud directielid
bij diverse bedrijven;
terwijl de RvC ......(
lees de heer van Rijn )
deed of zijn neus
bloedde.
In mei is de OR akkoord
gegaan met de
samenstelling van de
RvC, ondanks het feit
dat zij (OR) van mening
was dat de RvC niet naar
behoren is samengesteld,
en de aanbeveling van
een kandidaat niet is
overgenomen door de RvC.
De OR heeft dan ook uit
zakelijke overwegingen
positief geadviseerd
t.a.v. de voorgenomen
(her)benoeming van de
commissarissen.
Per 1 mei is de heer
ing. D.J. Brink benoemd
tot de nieuwe statutair
directeur en aangesteld
als voorzitter van de
directie.
J. van Rijn neemt zijn
plaats weer in de RvC
als voorzitter, J. de
Bruin treedt door
herbenoeming weer terug
in de raad en Ir. N. de
Ronde Bresser treedt toe
tot de RvC.
TIJDPERK VAN DE GROTE
ARROGANTIE

Helaas moet ik
constateren dat met de
komst van de heer
D.Brink er niet alleen
een andere wind ging
waaien, maar er
tegelijkertijd ook een
andere mentaliteit z’n
intrede deed.
Natuurlijk was het een
goede zaak dat er een
voortvarende bestuurder
aan het roer van het
concern kwam. Dat was
een vereiste om ook op
de langere termijn
continuïteit in de
onderneming te
garanderen. Het was
echter de manier waarop
de voortvarendheid
gestalte moest krijgen
die enige sceptisch bij
enkele OR -leden opriep
.
Als directeur uit de IT-
branche en geschoeid op
Amerikaanse leest bleek
de heer Brink al snel
een persoon met, op zijn
zachtst gezegd, “wat
scheepsbouw vreemde
eigenschappen".
Één van zijn eerste
uitspraken welke ik
nooit zal vergeten, was
bijvoorbeeld ‘Wie niet
vóór mij is, is tegen
mij. Deze lijfspreuk
hanteerde hij dan ook
letterlijk: een paar
maanden na zijn intrede
werd de heer Ir. W.
Timmers ontslagen als
statutair commercieel
directeur. Officieel
heette het dat de heer
Timmers zijn werk als
statutair directeur had
neergelegd; voor grote
lagen in de organisatie
was het echter volkomen
duidelijk dat deze
directeur niet paste in
het straatje van de heer
Brink. Als je dan
bovendien ook nog een
fervente tegenstander
geweest bent van het
‘speeltje‘ van de heer
van Rijn, namelijk de
koppeling tussen GN en
WFH, heb je zomaar
ineens twee zware
tegenstanders tegenover
je; en onder het motto;
‘Wie niet voor mij is,
is tegen mij‘, kun je
het dan wel
schudden……zelfs als
statutair directeur. !

Donkere wolken
verschijnen half ’97
boven van der Giessen-de
Noord.
Zo was de omgangsvorm
van de heer Brink en
velen zouden dat nog aan
den lijve
ondervinden. Enkelen, uit
dezelfde klei
geboetseerd, konden goed
overweg met deze
omgangsvorm, zoals bijv.
de voorzitter van de OR;
maar ook in eerste
instantie een
overweldigende
hoeveelheid
leidinggevenden. Met in
de achterhand zijn
lijfspreuk, formeerde
Brink in korte tijd een
zogeheten Groep van
Honderd; een groep
bestaande uit
leidinggevenden uit alle
lagen van de
organisatie, onder het
motto dat TEAMBUILDING
van het grootste belang
is om te overleven. Wie
niet meedeed was vanzelf
een ‘loser’….en wilden
we niet allemaal
‘winners’ zijn (of
worden?)
Ook als Ondernemingsraad
werden we meegezogen in
de spiraal die
TEAMBUILDING genoemd
werd. Het stond immers
klip en klaar vast, dat
het instrument OR
volledig achter de
ideeën van Brink en
consorten moesten komen
te staan om een kans van
slagen te hebben.
Helaas voor dhr. Brink
en consorten vervulde de
OR een autonome functie
en lieten zich niet zo
simpel kneden als de
deelnemers in de groep
van 100.
Een minderheid binnen de
OR heeft altijd kritisch
gestaan t.o. van het
gevoerde beleid, totdat
op 5 mei 1999 de maat
vol was. Het solistische
optreden van de
OR-voorzitter (gesteund
door dhr. D. Brink) –uit
naam van de OR !- lag
hieraan ten grondslag.
Er was geen vertrouwen
meer in het handelen en
functioneren van de
voorzitter dhr.
A v’t Hof.
Een motie waarin de
voorzitter gevraagd werd
zijn voorzitterschap
neer te leggen werd door
de overige leden niet
gesteund. Dit betekende
een definitieve
vertrouwensbreuk
met de voorzitter en de
overige leden van de OR.
Dat dit een zwaarwegend
besluit is geweest voor
“de 5” mag duidelijk
zijn. Na jarenlange
intensieve samenwerking
in het OR-werk, waarbij
drie van de vijf
personen bovendien nog
lid en/of ex-lid
waren van de
Agendacommissie, besluit
je niet zomaar her OR
werk neer te leggen.
Daarvoor heb je teveel
geïnvesteerd. Het zijn
de discutabele momenten
die de doorslag gegeven
hebben tot het doen van
deze stap. Momenten
waarin het functioneren
van de voorzitter zowel
voor het vijftal als
voor het individuele lid
in toenemende mate als
discutabel werd ervaren.
Zo was er de kwestie
rondom het ontslag als 2e
OR- voorzitter en
daarbij Agenda-cie lid
H.Haverkamp, waarin de
rol van de OR-
voorzitter naar de OR
misleidend bleek te
zijn. De integriteit van
betreffende persoon werd
hiermede te grabbel
gegooid.
Daarnaast hadden we de
problematiek rond GNR in
Alblasserdam. Op eigen
houtje ondertekend de
OR- vzt. een brief voor
de GN-directie….zonder
de kwestie binnen de OR
bespreekbaar te maken
over wat de voorzitter
wil. Achteraf wordt de
OR weliswaar mondeling
op de hoogte gebracht,
maar dan is de brief al
onderwerp van discussie
(in een negatief beeld)
bij de directie GNR.
Personen worden in het
gewraakte schrijven in
goede naam en eer
aangetast, met alle
gevolgen voor de
reparatie sector.
Bovendien staat het stuk
vol met onjuistheden.
Een ooit verkregen
mandaat wordt ook hier
door de OR- voorzitter
te kust en te keur
misbruikt. Een mandaat
dat door de OR is
afgegeven op basis van
vertrouwen. Over wie de
opsteller van de brief
is (gezien de tekst en
schrijfstijl) bestaat
een sterk vermoeden.
Duidelijk is dat deze
brief nooit door de OR-
vzt. geschreven kan
zijn. Maar
wel getekend.
Hier is vertrouwen
vervangen door mandaat,
een mandaat dat op
illegale wijze gebruikt
en misbruikt wordt!
En, het is al genoemd, de
verkoop van NKI aan
IHC-Caland. De
simpelheid waarmee de
OR- vzt. in een
onderonsje met de
directie de verkoop van
NKI al aanvaard dacht te
hebben, leidde tot grote
verbazing en hilariteit
bij de OR-leden.
Duidelijk was dat voor
ons de grens weer eens
was overschreden. Toen
uiteindelijk de overige
Agenda-cie leden over
dit onderwerp met
fundamentele
schriftelijke vragen
kwamen, werd hen dit
niet in dank afgenomen
door de voorzitter van
de OR. Overigens wél
door de financiële
contrôller van GN, dhr.
P.R.van Essen.
Tot slot.
We zien in toenemende
mate een voorzitter
ontstaan die zichzelf
profileert. Daar is op
zich niets tegen, zolang
het tot nut van het
collectief is. Als het
profileren echter
omslaat in een “ik”
mentaliteit en
eigenbelang ten koste
van het collectief
en het individu, wordt
het tijd een halt toe te
roepen. Vele malen, ook
tijdens het
teambuildings proces,
zijn er goedgemeende
waarschuwingen uitgegaan
naar de voorzitter
t.a.v. zijn
functioneren…….ook door
(vooral) de cursusleider
(trainer) dhr. Arie de
Vetten !
Als de voorzitter echter
doof blijft voor diverse
opmerkingen en op
dezelfde weg voortgaat
met functioneren, zelfs
na een individueel
gesprek met de
cursusleider in
Hoofddorp, houdt het
echt op.
Toen was het 5 mei 1999.
De open gekomen plekken
werden in sneltreinvaart
weer ingevuld. Zonder
enige kennis op te doen
over het hoe en waarom
van onze beweegredenen
(tot opstappen uit de
OR) zijn er personen
vanuit de reserve lijst
in de OR gaan zitten.
Persoonlijk kan ik
alleen maar constateren
dat het voor mij
duidelijk is met welke
doelstelling deze lieden
de stap hebben genomen
om deel uit te gaan
maken van de
Ondernemingsraad. Niets
anders dan eigenbelang
is hun motief geweest !!
Tussen 5 mei 1999 en de
sluitingsdatum van GN-
N.V. leed de OR een
sluimerend bestaan.
Verslagen aan de borden
van Overlegvergaderingen
gaven éénzijdige
besluiten en/of meningen
weer vanuit een
inmiddels danig
gewijzigde directie.
Tegenspel werd niet meer
geboden, m.a.w. “er
vloeide geen bloed meer
uit “.
Het was dan ook niet zo
verwonderlijk dat de
reorganisatie in 2002 en
de sluiting in 2003 voor
deze OR als een klap bij
heldere hemel kwam.
Alleen de voorzitter was
mogelijk op de hoogte.
Zelfs voor de vakbonden
kwam de sluiting als een
mokerslag. Terwijl velen
op de werf het einde
zagen naderen, keek een
orgaan als de OR
machteloos en
kritiekloos
toe. Uitgehold in
ervaring, kennis en
creativiteit. Het
resultaat van vijf jaar
machtsmisbruik, intriges
en laster.
Dit lag niet aan het
Overleg (OR) maar aan
de manier van managen.
In een conjectuur
gevoelige bedrijfstak
zoals de scheepsbouw,
is, om te kunnen
overleven, meer nodig
dan een handvol
“daghandelaren,
jobhoppers en
ja-knikkers”.
Het gaat uiteindelijk om
de juiste balans tussen
economische en sociale
waarden om de
continuïteit te kunnen
waarborgen. Deze balans
is sinds de komst van
J.van Rijn en D.Brink
verstoord door
kortzichtig
penningmeesterschap die
de sociale organisatie
heeft drooggelegd
vanwege het
kortetermijnbelang van
slechte eigenaren.
Daghandelaren die alleen
gaan voor de winst en
het geen bal
interesseerde wat er met
GN gebeurde.
Cultuur.
In de periode vóór 1997
heerste bij het GN
personeel, bewust maar
in vele gevallen
onbewust het “grote wij
gevoel”. Of dit terecht
was of niet, is in dit
kader niet relevant. Wat
relevant is, hangt nauw
samen met de
verbondenheid van het
personeel met de
onderneming. Het
gemiddelde aantal
dienstjaren bij GN was
hoog, en het verloop van
nieuw personeel laag.
Onderaannemers en
ingeleend personeel
waren over de
gemoedelijke en
collegiale sfeer die bij
het bedrijf aanwezig
was. De prestaties van
het personeel waren
dankzij deze
werkomstandigheden
optimaal. Het
“meedenken” om het
productieproces zo goed
mogelijk te laten
verlopen was een normaal
gegeven. Tevens was er
altijd wel een helpende
hand die nieuwkomers
en/of mindere goden
onder het personeel op
weg hielp. Met de komst
van D.Brink zijn deze
eigenschappen
systematisch om zeep
geholpen. Onder een op
een Amerikaanse leest
geschoeide
managementgedachte
creëerde Brink bewust
een “bedrijfselite”
d.m.v. Teambuildings-Processen. Processen
waarin in eerste
instantie alleen
leidinggevenden en het
personeel op
strategische posities in
mee mochten
participeren.
Onder het
mom van “openheid, beter
communiceren” en
kretologieën zoals “wij
zijn GN”, ontstond er
een vervreemding naar
het personeel en de
dagelijkse realiteit.
Het handjevol realisten
wat niet aan deze
cultuurverandering ten
onder ging werden als
paria’s gemeden of op
een zijspoor gezet. Deze
indoctrinatieprocessen
gaven bij een aantal
deelnemers een tweeledig
gevoel. Een gevoel van
macht, maar ook een
gevoel van angst. Angst
om niet te falen, of om
als vreemde eend in de
bijt gezien te worden.
Dit laatste resulteerde
veelal in persoonlijke
gesprekken c.q.
begeleiding. In sommige
gevallen leidde dit
zelfs tot ontslag. Het
gevoel van macht leidde
niet alleen tot een
hautain / arrogant
gedrag, maar ook tot het
willekeurig ontslaan van
personeel. Daar waar in
het verleden een
“sociaalgedragscode” bij
ontslag van werknemers
aan vooraf ging, werd
dit nu niet meer in acht
genomen. Deze
handelswijze werd door
Brink niet alleen
toegejuicht en
toegepast….nee, hij werd
zelfs aangemoedigd. Men
hoeft geen fantasierijke
geest te bezitten om te
weten dat door deze
cultuurschok binnen de
GN-organisatie een
“ik” mentaliteit
ontstond.
Een organisatie waar
niemand zijn handen aan
wilde branden door
verantwoordelijkheid op
zich te nemen. Kritiek
c.q. meedenken, ook al
was deze opbouwend, werd
niet meer geaccepteerd.
Daarmee werd tevens elke
vorm van “communicatie”
en “juiste
informatie” tot in
de kiem gesmoord.
Het
collectief aanvaarden
door het managementteam,
om te komen tot het
bouwen van twee ferry’s(Mont St. Michel en
Pascal Paoli) in een
“zeer korte levertijd”,
is een van de vele
voorbeelden. Een “leek”
had kunnen weten dat de
GN-organisatie,
uitgaande van
“ervaringscijfers”, dit
niet aankon. Het
eindresultaat was chaos,
miscommunicatie, een
overdosis aan onderling
wantrouwen, en een
organisatie die niet
meer bestuurbaar was.
Strategie.
In een onderneming nemen
allerlei mensen
voortdurend maatregelen,
passend bij allerlei
doelstellingen. Gezien
vanuit de continuïteit
en de effectiviteit van
de onderneming is het
een zeer belangrijke
vraag in hoeverre er
samenhang is tussen al
die doelen en
maatregelen.
Dat is de vraag naar
strategisch beleid. Die
vraag is dus gekoppeld
aan continuïteit en
effectiviteit van de
onderneming als geheel.
In dat licht is het
triest te moeten
constateren dat onder
het bewind van D.Brink
(van Rijn, Caland ) bij
GN geen strategisch
beleid werd gevoerd
die herkenbaar was voor
alle lagen binnen de
organisatie, en die de
continuïteit van GN kon
waarborgen. Een directie
die geen strategisch
beleid voert mist een
centrale coördinatie en
een
beheersingsinstrument.
Bij GN ontbrak het aan
deze belangrijke
maatstaf bij vragen als
: “wel of niet
investeren”?(voorbewerking)
“wel of geen overname
(huur) van de
Ijsselwerf”?,”wel of
geen extra opdracht om
drie maanden leegloop te
voorkomen”?, “wel of
niet afstoten (verkopen)
van
dochterondernemingen”.
(NKI-Dongen, GNM, VSA
enz )…….en daarmee zag
GN haar eigen vermogen
dalen.
In het personeelsblad
“GN Goed Nieuws”
propagandeerde de
directie haar gevoerde
beleid met koppen als
“GN verlegt haar
grenzen”, “Succes boekt
succes’, en “GN bepaalt
strategie”. In
strategische sessies
werden samen met het
managementteam plannen
gemaakt voor de
toekomst. “Verlaging van
de kostprijs”(10%),
“slimmer ontwerpen”,
“verhogen van de
productiviteit” waren in
algemene zin de
onderwerpen. Wat ontbrak
was een heldere visie op
de onderneming : “wie
zijn wij”,(identiteit),
“wat gaan we
doen”(missie), en “wat
kunnen
wij”(competentie). Op
z’n minst merkwaardig,
omdat een heldere visie
ten grondslag ligt (zou
moeten liggen) aan de
strategie.
Een andere theorie is,
dat er in
een bepaald stadium
weldegelijk een
strategie bestond, en er
bewust door Caland is
aangestuurd op
ontmanteling van het GN
concern met al haar
dochterondernemingen.
Gezien de betrokkenheid
en de uiteindelijke
besluitvorming over
een voorgenomen besluit
van de GN-directie om
bijv.
bedrijfsactiviteiten te
kopen of te verkopen in
handen van Caland ligt,
is deze theorie niet
ondenkbaar. Kortom, elk
besluit van de
GN-directie heeft zijn
goedkeuring nodig gehad
van Caland. In
omgekeerde zin was dat
niet nodig. Elk besluit
van Caland behoefde geen
goedkeuring van de
directie GN en/of het
Overleg (OR).
Het lijkt dan ook
onwaarschijnlijk dat de
goedgekeurde
investeringen,
opdrachten, en de
verkoop van
bedrijfsonderdelen
alleen berusten op
“mismanagement”.
Uiteindelijk heeft elk
respectabel bedrijf een
strategisch plan – dus
ook Caland. Alleen de
doelen geformuleerd als
meetbare output bleven
tot op heden binnen de
Schiedamse muren.
|